Dé interne staatshervorming van Brussel?

In 2009 kondigde de kersverse gewestregering aan de taakverdeling tussen gewest en gemeenten te willen bestuderen. Een “werkgroep van wijzen” werd opgericht. Verschillende stakeholders, waaronder Bral, mochten bij hen op de koffie. Het resultaat was een conclusietekst die, volgens de echo’s die we kregen, een flauw compromis is.
 
Half september 2011 kwam er de zesde staatshervorming met daarin een punt over de intra-Brusselse vereenvoudiging. Het akkoord wijst op de grote versplintering van bevoegdheden die de efficiëntie en samenhang in het grootstedelijk beleid hindert. En stelt ook dat de zesde staatshervorming verbeteringen moet aanbrengen om een reeks taken en bevoegdheden uit te voeren!

De nota haalt zelfs een aantal concrete domeinen aan waar verandering nodig is: veiligheid, stedenbouw, huisvesting, mobiliteit, parkeerbeleid, netheid, sportinfrastructuur … Ze stelt een aantal hervormingen voor, die wat ons betreft verder mochten gaan. Een nieuwe werkgroep, die begin juni normaal gezien voor de eerste keer samenkwam, zal dit verder moeten uittekenen. Acht partijen zullen daar samenzitten. Ofte de partijen die het federaal akkoord schreven en de Brusselse regeringspartijen. Deze werkgroep wordt voorgezeten door ... Philippe Moureaux.

Het wordt afwachten wanneer deze werkgroep met de gevraagde wetteksten klaar zal zijn. Want de meningsverschillen zijn groot. Er zijn de communautaire geschillen over de oververtegenwoordiging van de Nederlandstaligen op gewestniveau. En over de ondertussen al wat bestofte eis om de lokale machtsbastionnen af te schaffen. Franstaligen beweren dat Nederlandstalige partijen dat willen omdat ze op het gemeenteniveau minder in de pap te brokken hebben. Maar denk ook aan ideologische meningsverschillen over het nut van dat lokale niveau, van de nabijheid bij de burger.

Moureaux is al mee

En toch zijn we niet helemaal negatief. Want het feit dat de regering in 2009 de interne vereenvoudiging effectief op de agenda zette, is op zich al een vooruitgang. Het maakte de bevoegdheidsverdeling bespreekbaar. Maar ook zien we geleidelijk aan concrete veranderingen. Door bijvoorbeeld een aantal zaken in het Brussels Wetboek Ruimtelijke Ordening te veranderen (zie hiervoor p. 14- 15).

Zelfs Philippe Moureaux, de baron uit Molenbeek, ziet hier vandaag het nut van in. In 2009  zei hij “In tegenstelling tot wat de Vlamingen denken, gaan we langzaamaan vooruit. Dat is het geval met de GGB’s (Gebieden van Gewestelijk Belang). Aanvankelijk was ik er als burgemeester tegen dat het gewest het Weststation als GGB zou beheren in plaats van Molenbeek. Daarna ben ik van mening veranderd: zulke grote strategische dossiers moeten de gemeentelijke bevoegdheden overstijgen.”

Uitzonderingen niet toegestaan

Het beleid in de Brusselse gemeentes rationaliseren, efficiënter maken, is één ding. Maar hoe ga je om met de verscheidenheid tussen die gemeenten? Zowel demografisch als qua oppervlakte zijn de verschillen soms groot. Dit heeft een duidelijke impact op de gemeentelijke inkomsten en uitgaven. Deze verschillen, samen met de verschillende politieke evenwichten, maken dat elke gemeente eigen accenten probeert te leggen in haar stedenbouw-, mobiliteits- en milieubeleid.

Het gewest heeft vandaag onvoldoende middelen om ervoor te zorgen dat de gemeenten de gewestelijke doelstellingen – denk aan 20 % sociale huisvesting (zie ook p.12-13) of  - 20% autoverkeer – effectief realiseren of meewerken aan de realisatie er van.

Brussel is dan wel opgedeeld in gemeenten, maar de mobiliteitssituatie, afvalproblematiek of huisvestingscrisis zijn grensoverschrijdend en vallen niet netjes op te delen in gemeenten. Zo gebeurt het niet zelden dat straten of pleinen aan de rand van een gemeente minder investeringen aantrekken en er verwaarloosd bij liggen. Of dat een gewestelijke fietsroute plots onderbroken is. Het is dus belangrijk dat het Brussels beleid in al haar niveaus eenzelfde strategie en visie nastreeft. Weliswaar maximaal rekening houdend met de lokale realiteiten.

Te kleine/grote gemeentes

Veel gemeenten zijn volgens ons te klein om efficiënt bestuurd te worden. Sommige bevoegdheden of dossiers zijn duidelijk niet op maat van een gemeente, omdat die niet de nodige know-how of zelfs gewoon niet de nodige mankracht hebben. Bij de aanpak van leegstand weten heel wat gemeenten bijvoorbeeld niet van welk hout pijlen maken.

De grote uitzondering is Brussel-Stad, die dan weer vaak ageert als een gewest binnen het gewest. Denken we maar aan de uitzondering voor het plannen van de GGB’s, waarbij het gewest de opmaak van richtschema’s en de goedkeuring van bijzondere bestemmingsplannen (BBP’s) naar zich toe trok, behalve voor de Stad Brussel. Deze kreeg een apart “charter” waarin het Gewest en de Stad overeenkwamen dat de Stad de planning van onder meer de Heizel zelf mocht leiden, weliswaar in overleg met het gewest. Who’s the boss?

Het Gewest takes over

We moeten ons niet de illusie maken dat door de bevoegdheid voor mobiliteit, stedenbouw en milieu naar het gewest over te hevelen Brussel ineens de stad zal worden waar we met z'n allen van dromen. Het is geen garantie voor goed beleid, noch voor een duurzame visie. Maar we geloven wel dat het een vooruitgang betekent voor het bestuur van deze stad. Uiteraard moeten we bij zo’n verandering rekening houden met de onvermijdelijke kinderziektes (slechte interne communicatie, na-ijver, verschillen tussen organisatieculturen, ...), maar als we hiervoor alert zijn, hoeven deze geen probleem te vormen. 

Een efficiënt bestuur van het Brussels Gewest, voor wat betreft stedenbouw, ruimtelijke ordening, milieu en mobiliteit, beantwoordt voor Bral aan de volgende principes:

• De gewestregering en het verkozen parlement bepalen de visie en het beleidskader, in dialoog met de ons omringende gewesten. De gewestregering neemt op een transparante en gemotiveerde wijze beslissingen.
• Een versterking van de participatieve democratie, door een systeem van bijvoorbeeld lokale ontwikkelingsregies, waarbij administraties, bewoners en andere belangengroepen samenwerken. En door een participatieve wijkmonitor waarbij lokale en globale kennis vergaard wordt bij bewoners. Deze participatieve middelen vermijden dat het gewest in een ivoren toren opereert en laten lokale verzuchtingen en problemen doorstromen naar het beslissingsniveau.

Er moet dus een lokaal, gedecentraliseerd niveau blijven bestaan dat garandeert dat de lokale terreinkennis doorstroomt. Ook de nabijheid van diensten en een lokaal aanspreekpunt voor bewoners moet bewaard blijven. Dit zijn essentiële elementen voor een kwaliteitsvol bestuur van het gewest.  Dat niveau hoeft niet per se een apart instituut te zijn: antennes van het gewest of een wijkgerichte aanpak kunnen ook voor decentralisatie zorgen. Kijk maar naar het verhaal over buurtparken

Daarnaast moet het gewest zichzelf ook de garanties geven dat het beleid dat ze zelf uittekent, ook wordt uitgevoerd op lokaal niveau. Wanneer de gemeente of lokale ontwikkelingsregie (zie hierboven) het gewestelijk beleid niet uitvoert, moet het gewest ofwel sancties kunnen opleggen ofwel gemachtigd zijn het beleid zelf uit te voeren.

Dit laatste heeft alvast zijn ingang gevonden met de zesde staatshervorming, toch wat betreft mobiliteit en ruimtelijke ordening (zie tekst p. 15). Nu nog hopen dat de politieke werkgroep dit principe ter harte neemt en dat ze misschien zelfs een stap verder zet. Of moeten we daarvoor wachten op de zevende staatshervorming?